![]() |
||||
Wapens in het Gildenleven In het gildenleven duiken verschillende soorten wapens op. Onafhankelijk van streek en afkomst bekwaamt men zich in het schieten met de handboog, het geweer, de balansboog of de voetboog. Het gebruik van het type wapen is voor iedere Gilde anders geëvolueerd. Een Gilde die vandaag met het geweer schiet, kan vroeger bij haar ontstaan best een handbooggilde geweest zijn. Doorheen het verleden is er een enorme evolutie geweest in de gebruikte wapens. Deze was afhankelijk van de noden en verdedigingskunsten van die tijd. De gebruikte wapens kunnen wij onderverdelen in twee belangrijke groepen: het spangeschut (pijl en boog) en het vuurgeschut (geweer). Beide groepen werden al vanaf de 14 e eeuw naast elkaar gebruikt en hebben zich doorheen de tijd steeds verder ontwikkeld. Wat volgt is een korte historische schets betreffende de diverse gildenwapens, hun ontstaan en gebruik. Handboog
Van alle schiettuigen is de handboog het oudst. Deze werd door de oude milities veelvuldig gebruikt naast de gekende slag –en steekwapens. In de 14 e eeuw duiken meermaals verhalen op van de legendarische Engelse beroepshandboogschutters. Het wapen dat zij hanteerden week zeer sterk af van de huidige handbogen. De handboog van de Engelsen was 1.88 m lang en vervaardigd uit iep, es of eik. De houtsoort varieerde naargelang de kracht van de schutter. Het waren dan ook erg goed getrainde militairen met een enorme spierkracht, een grote concentratie en uiterste nauwkeurigheid. Het grote voordeel van de handboog was de snelheid waarmee pijlen gericht konden afgevuurd worden. De handboog was dan ook het meest populaire wapen in die tijd.
Voetboog In de tweede helft van de 13 e eeuw verschenen de eerste voetbogen op het militaire toneel. De kruisboog was al bekend aan de Romeinen, maar van gebruik in de erg vroege middeleeuwen is er geen bewijs. Steeds meer milities gingen harnassen gebruiken om het persoonlijke lijf te beschermen. De pijlen der handbogen hadden meestal te weinig inslagkracht om deze harnassen te doorboren. Naarstig werd dan ook gezocht naar wapens die projectielen met een veel grotere snelheid konden afvuren.
De eerste voetbogen waren korte, stevige wapens.De eerste latten werden gemaakt uit laagjes hoorn, versterkt met hout en pees en geïmpregneerde lijm. Sinds 1400 werd de booglat van staal gemaakt. De armborst, zoals een voetboog ook wel genoemd werd, was bespannen met een koord of pees, bestaande uit een dikke bundel hennepdraden. Dit koord werd volledig met draad omwonden en achteraf met vernis bestreken. Het midden van de boog was bevestigd aan een stevig stuk hout, wat men de schacht of lade noemt. In het hout was een opening gemaakt voor de noot of de tuimelaar. Om de boog op te spannen gebruikte men een hulpmiddel dat varieerde naargelang het type van armborst. Dit hulpmiddel kon een soort koevoet, een kleine dommekracht, een windas of een spanhaak zijn. Het opspannen van een windasboog was een tijdrovende bezigheid dat ongeveer 1 tot 2 minuten in beslag nam. De windasbogen kregen al snel de naam van voetboog, daar deze met de voet op hun plaats werden gehouden bij het opspannen. De eerste voetbogen waren redelijk slecht te hanteren. Hun gebruiksvriendelijkheid was erg laag. De resultaten van de voetboog werden in de eerste jaren van hun bestaan dan ook veel lager geschat dan deze van de handboog. Twee grote voordelen waren echter dat zij minder schuttersbekwaamheid eisten om het doel te raken en een veel grotere inslagkracht hadden. In de loop der jaren evolueerde ook de kruisboog tot een geducht wapen. Hun grote spankracht gaf hen een maximale dracht van ongeveer 330 meter, veel verder dan de gewone handboog. Op een afstand van 40 tot 70 meter gaf een middeleeuws ruiterpantser totaal geen bescherming tegen een kruisboogpijl. Bij latere uitvoeringen kregen zij een klepvizier en werd hij steeds meer gebruikt. De voetboog was steeds onderhevig aan ontwikkelingen en verbeteringen. Het werd bij uitstek het wapen van het voetvolk en de burgerij. Dit deed leiden tot een bewapeningswedloop met de adel, die haar positie op het slagveld flink bedreigd zag. In de steden werden de schutterijen al snel uitgerust met de kruisboog. Vanaf de 16 e eeuw verloor de kruisboog de strijd met het steeds effectievere vuurwapen. Vele schutterijen werden vanaf dan uitgerust met geweren. Vuurwapen De eerste vuurwapens dateren uit dezelfde eeuw als de armborst. In onze streken werden zij voor het eerst gebruikt in de slag bij Crécy in Vlaanderen.
De eerste vuurwapens waren gewone ijzeren buizen die aan het achtereinde waren voorzien van een houten of ijzeren staart die op de schouder kwam te rusten. Men schoot met loden kogels, waardoor deze wapens ook wel loodbussen genoemd werden. Deze geweren werkten allen volgens hetzelfde principe: een lange brandende lont werd door middel van een trekker in het kruitpannetje gebracht. Bij regenweer werden de lonten nat en volledig onbruikbaar.
De evolutie was ook hier niet te stuiten. De bussen werden in houten laden gelegd en voorzien van een ‘colve', waardoor zij in de volksmond de naam ‘colven' kregen. De bekendste oude vuurwapens waren wellicht de 16 e eeuwse musketten, gebruikt door de musketiers. Het laden duurde een tweetal minuten. De wapens waren zo zwaar dat zij voor het afvuren op een vork moesten geplaatst worden. Het redelijk omslachtige wapen verdrong stilaan de handboog en kruisboog. Vele hoofdgilden rustten zich omstreeks 1500 uit met deze vuurwapens en behielden hun bogen voor het vermaak zoals papegaaischieten . Zo ook met redelijke zekerheid de Hoogstraatse Sint-Jorisgilde. In oude geschriften lezen wij dat in 1609 5 pond poeder gekocht werd om enige jonge mannen vreugdeschoten te laten lossen. In 1744 schonk de Vrijheid aan iedere gilde 6 pond poeder om met de haken te schieten en zo Vorst Niklaas van Salm Salm plechtig in te halen. Om de echte verdedigingstaken op te nemen kozen de gilden blijkbaar massaal voor de vuurwapens. Hun hobby, het schieten op de wip, bleven zij met de aloude voetbogen uitoefenen. Vele hoofdgilden rustten zich omstreeks 1500 uit met deze vuurwapens en behielden hun bogen voor het vermaak zoals papegaaischieten . Zo ook met redelijke zekerheid de Hoogstraatse Sint-Jorisgilde. In oude geschriften lezen wij dat in 1609 5 pond poeder gekocht werd om enige jonge mannen vreugdeschoten te laten lossen. In 1744 schonk de Vrijheid aan iedere gilde 6 pond poeder om met de haken te schieten en zo Vorst Niklaas van Salm Salm plechtig in te halen. Om de echte verdedigingstaken op te nemen kozen de gilden blijkbaar massaal voor de vuurwapens. Hun hobby, het schieten op de wip, bleven zij met de aloude voetbogen uitoefenen. De 17 e eeuw was belangrijk voor de verdere modernisering van het geweer. De lonten werden vervangen door vuursteensloten die niet langer onderhevig waren aan slecht weer. Deze ingewikkelde constructie maakte van deze wapens erg dure objecten, en toch verdrongen zij de andere wapens volledig van het toneel. Gevolg hiervan was dat de soldaten hun geweren niet meer zelf aankochten, zoals dat lang de gewoonte was. Door de dure aankoopprijzen waren de schuttersgilden ook meestal genoodzaakt
Gevolg hiervan was dat de soldaten hun geweren niet meer zelf aankochten, zoals dat lang de gewoonte was. Door de dure aankoopprijzen waren de schuttersgilden ook meestal genoodzaakt om zich te behelpen met tweedehands, verouderde, militiewapens. De militaire rol van de gilden verdween ook. Vanaf de 17 e en 18 e eeuw werden zij meer en meer ontspanningsverenigingen die nog altijd groot aanzien genoten van de plaatselijke bevolking en vorsten. 19e eeuw De technische ontwikkeling der voorwapens hadden in de latere periode nog weinig invloed op het gildenleven. In de 19 e eeuw maakten de gilden voornamelijk gebruik van de zeer eenvoudige eigen gemaakte handbogen, verschillende typen kruisbogen en de vuursteenslotgeweren. Vooral de handboog kende een grote opgang. Tot 1940 kwam het bij vele zogenaamde echte ‘boerengilden' nog veel voor dat uit taaie takken eenvoudige handbogen gemaakt werden. Veel betere bogen waren de handbogen gemaakt uit Turks eikenhout. Zij hadden een grote gelijkenis met de oude Engelse handbogen. Vanaf 1940 geraakte overal de wedstrijdboog ingeburgerd. Het schieten met de kruisboog is al veel minder evident. Meestal ontbrak het aan vakkennis en wil om deze wapens te vervaardigen. Toch zijn een drietal types van bogen nog steeds in gebruik, zij het op veel beperkter niveau dan de handboog. Met de aloude voetbogen wordt nog in een zevental Gilden geschoten. De balansboog, zoals ook wij die kennen, wordt nog gehanteerd in een dertiental Gildenverenigingen. De kleine kruisboog (zoals onze 6–meter wapens) is nog het meest gehanteerde wapen uit deze klasse. Nog steeds beleven een vijftigtal Gilden hiermee hun vrije tijd.
|
||||